Bevrijdingsdag ( door de ogen van Rex en Bram)
Rex snuffelt aan vlaggen in de wind,
zwart‑wit tegen een lucht vol kleur,
ze ruiken naar zon en naar gisteren,
naar voeten die dansten op straatstenen
en handen die niets meer hoefden vast te houden.
Naast hem stuitert Bram,
te groot voor zijn poten nog,
ogen vol vragen, oren half in de lucht—
zijn zwart‑witte vacht nog ongelezen geschiedenis.
“Waarom zijn mensen vandaag zo luid?”
denkt Rex, terwijl zijn staart
traag de maat slaat
van iets wat hij niet geleerd heeft
maar altijd al heeft begrepen.
Bram gaat zitten op de stoep,
zoals Rex doet.
Hij trekt zijn knieën niet op—
hij weet nog niet hoe dat werkt—
maar hij kijkt omhoog
naar rood‑wit‑blauw dat de lucht doorklieft
alsof het iets terugroept
dat lang stil is geweest.
“Vrij,” zegt iemand.
Het woord valt tussen hen in.
Rex kantelt zijn kop,
Bram proeft het hardop, zachtjes verkeerd.
Vrij ruikt naar open deuren,
naar gras waar niemand “nee” tegen zegt,
naar rennen zonder teruggefloten te worden
en blijven waar je wilt.
Rex weet het al.
Hij bewaakt het zonder woorden.
Bram leert het
in sprongetjes,
in stilvallen,
in kijken naar de rug
van zijn grote broer.
En ergens tussen volgen en weten,
tussen puppy‑adem en oude ogen,
tussen vlaggen en verleden
loopt iets onzichtbaars met hen mee—
licht als lucht,
maar zwaar genoeg
om elk jaar weer
even stil te maken.
Reactie plaatsen
Reacties